Jaarlijks worden zes grote monumenten gered, maar er komen er zeven bij. Hoe keren we de restauratiebalans?

Fenicks monitort al twaalf jaar de staat van alle 172.000 monumenten in Nederland. Voor de grootste restauratieopgaven is het beeld helder. In 2020 telde Nederland 144 grote monumenten met een restauratieopgave van minimaal drie miljoen euro. Inmiddels zijn dat er 150. Gemiddeld komt er ieder jaar één nieuw monument bij dat door het spreekwoordelijke ijs zakt.

Er is gelukkig ook goed nieuws. Van de 144 monumenten die in 2020 op de lijst stonden, zijn er inmiddels honderd in restauratie genomen of is de aanpak gestart. Dat is te danken aan eigenaren die volhouden, overheden die verantwoordelijkheid nemen en professionals die durven door te zetten. Jaarlijks worden gemiddeld zes grote restauratieprojecten van de grond getild. Dat verdient erkenning.

Toch is de balans nog altijd negatief. Tegenover zes geredde monumenten staan jaarlijks zeven nieuwe gevallen. Het verschil lijkt klein, maar de gevolgen zijn groot. Uitstel kost namelijk geld. Restauratiekosten lopen gemiddeld met zo’n tien procent per jaar op. En naast de financiële schade dreigt iets dat veel ingrijpender is: het onherstelbare verlies van monumentale waarden. Wat eenmaal verdwenen is, komt niet meer terug.

Tijdens Beurs Monument gingen we in gesprek over de vraag hoe die negatieve balans kan worden omgebogen. Aan tafel zaten Ben Verfürden (erfgoedadviseur), Maya Meijer Bergmans (MeyerBergman Erfgoed Groep), Jan de Jong (erfgoedadviseur), Hendrik Roozen (Roozen van Hoppe Groep) en Jan-Hylke de Jong. Bart Krol leidde het gesprek. Dit zijn de belangrijkste inzichten.

Bekijk hier de video of lees de belangrijkste conclusies. (onder de video staan de conclusies)

Het huidige financiële stelsel werkt, maar niet voor de zwaarste restauraties

Ben Verfürden en Jan-Hylke de Jong onderzochten eerder de effectiviteit van het huidige financieringsstelsel voor monumentenzorg. Hun conclusie is genuanceerd. De decentralisatie van rijksmiddelen naar provincies, die in 2012 werd ingezet, functioneert in de praktijk behoorlijk goed. Provincies kennen hun gebied, investeren zelf mee en kunnen erfgoed koppelen aan ruimtelijke en economische ontwikkelingen.

Tegelijkertijd bestaat er een structureel probleem. Provinciale budgetten zijn niet ingericht op restauratieopgaven van drie, vijf of zelfs tien miljoen euro per object. Een subsidieregeling die prima werkt voor een molen of een kleine sluis, schiet tekort bij een monument waarvan de restauratie duurder is dan het volledige jaarbudget van een provinciale erfgoedafdeling.

Sinds 2019 stelt het Rijk extra middelen beschikbaar voor deze categorie, onder meer via speciale regelingen. In de eerste aanvraagronde is 22,5 miljoen euro beschikbaar; volgend jaar volgt opnieuw eenzelfde bedrag. Maar de totale opgave bedraagt honderden miljoenen euro’s. Bovendien verschillen de monumenten enorm. Een klooster met goede herbestemmingsmogelijkheden vraagt om een andere aanpak dan een paleis met een kwetsbaar interieur waarvoor nauwelijks aanpassingen mogelijk zijn. Juist daarom is maatwerk noodzakelijk, terwijl generieke subsidieregelingen daar per definitie onvoldoende ruimte voor bieden.

Subsidie is niet altijd de beste oplossing

Bij grote, complexe monumenten is subsidie lang niet altijd het meest effectieve instrument. Soms werkt het zelfs averechts.

Voor monumenten met exploitatiemogelijkheden is financiering vaak een betere route. Denk aan leningen, garantstellingen door gemeenten of provincies, of publiek-private samenwerkingen (PPS). Zulke instrumenten brengen relatief weinig risico met zich mee, drukken minder op overheidsbegrotingen en kunnen net het zetje geven dat nodig is om een financiering rond te krijgen.

Toch wordt deze aanpak nog weinig toegepast. Jan de Jong noemde een praktijkvoorbeeld waarbij het Nationaal Restauratiefonds een businesscase positief beoordeelde, maar de provinciale afdeling Financiën alsnog weigerde garant te staan.

Een combinatie van rijkssubsidie en een lening van het Nationaal Restauratiefonds is wettelijk niet mogelijk. Garantstellingen door gemeenten of provincies kunnen echter wél naast rijkssubsidie bestaan. Juist daar ligt volgens De Jong een onbenutte kans. Zijn boodschap is dan ook helder: “Stop met automatisch denken in subsidies bij grote complexen. Denk eerst in financieringsmodellen.”

Een tender winnen is nog geen monument redden

Paleis Soestdijk laat zien hoe ingewikkeld grote restauratieprojecten kunnen worden wanneer ze in een strak aanbestedingsproces worden gedwongen.

MeyerBergman Erfgoed Groep won in 2017 de tender met een sterk plan. De uitvoering begon voortvarend, vertelt Maya Meijer Bergmans. Al snel bleek echter dat een provinciale regel over historische bosgroeiplaatsen roet in het eten gooide. Niemand had die voorzien: niet de eigenaar, niet de provincie en ook de gemeente niet. Vervolgens werd het goedgekeurde bestemmingsplan vernietigd door de Raad van State, wat opnieuw twee jaar vertraging opleverde.

Tien jaar later is de restauratie nog altijd niet gestart. Het paleis wordt geëxploiteerd om het onderhoud te bekostigen, terwijl de kosten voor archeologisch onderzoek en onderzoeken naar flora en fauna blijven oplopen. Volgens Meijer Bergmans is het niet realistisch om van een ondernemer te verwachten dat die tien jaar lang blijft investeren zonder uitzicht op uitvoering.

Daar komt bij dat Paleis Soestdijk meer is dan een monument. Het is nauw verbonden met de Nederlandse geschiedenis, het koningshuis en de ontwikkeling van onze democratie. Zoals Meijer Bergmans het verwoordde: “Als we dit icoon willen bewaren, dan moet de samenleving daar ook iets voor over hebben.”

Publiek-private samenwerking werkt, mits er vertrouwen is

Klooster Koningsoord in Berkel-Enschot laat zien wat mogelijk is wanneer publieke en private partijen elkaar echt vertrouwen.

Hendrik Roozen werd destijds door de burgemeester van Tilburg gevraagd om met een frisse blik naar het klooster te kijken. Al twintig jaar waren plannen gemaakt, maar geen daarvan bleek uitvoerbaar. Een woningcorporatie berekende zelfs dat er achttien miljoen euro tekort zou zijn.

Roozen koos voor volledige transparantie. Alle financiële cijfers kwamen op tafel, inclusief de exploitatieberekeningen. Het resultaat is een levendige herbestemming met 84 appartementen, waarvan een groot deel onder de huurtoeslaggrens, een dorpshart voor de verenigingen van Berkel-Enschot en een bibliotheek in de voormalige kerk. Jong en oud wonen er samen.

Het project is niet gebouwd op subsidies, maar op gezonde huurstromen, ondersteund door een gemeentelijke garantstelling.

Wie er wil wonen, stuurt een filmpje in waarin wordt uitgelegd wat hij of zij wil bijdragen aan de gemeenschap. Zo krijgt de oorspronkelijke kloostergedachte een eigentijdse invulling.

Volgens Roozen is dit publiek-private samenwerking op haar best: de marktpartij ontwikkelt en exploiteert, terwijl de overheid betaalbaarheid borgt en risico’s deels opvangt.

Voor sommige monumenten is subsidie onvermijdelijk

Niet ieder monument kan zichzelf terugverdienen. Sommige locaties bieden simpelweg geen mogelijkheden voor een rendabele exploitatie.

Ben Verfürden noemt Fort Pannerden als voorbeeld. Het fort ligt buitendijks, midden in een natuurgebied. Wonen of parkeren is er niet mogelijk. Het draait grotendeels op vrijwilligers en bezoekers. Dat is maatschappelijk waardevol, maar onvoldoende om een restauratie van meerdere miljoenen euro’s te financieren.

Voor dit soort monumenten is publieke financiering geen keuze, maar een noodzaak. Uiteindelijk vraagt dat om een maatschappelijke afweging: als we dit erfgoed willen behouden, moeten we als samenleving bereid zijn daarvoor te betalen.

De eigenaar moet altijd centraal staan

Dit was de rode draad van het gesprek, zowel aan tafel als in de zaal.

Begin niet bij de subsidieregeling, de tender of het ministerie, maar bij de eigenaar. Wat heeft deze nodig om het monument daadwerkelijk te kunnen redden?

Dat vraagt om maatwerk. Om kennis van de situatie achter het monument, in plaats van een regeling waaraan een monument zich moet aanpassen. En het vraagt ook om waardering voor de ondernemers, organisaties en vrijwilligers die ondanks alle onzekerheden toch de stap durven te zetten.